“Mattenklee” rode klaverrassen worden komende 4 jaar getest

Sector:
Zuivel-rundveevlees, Geit en schaap
13-10-2011

Teruglopen van het witte klaveraandeel door de droge voorjaren en natte zomers van 2010 en 2011 heeft de gewasproductie op biologische melkveebedrijven onder druk gezet. Dit toont meteen ook de huidige afhankelijkheid van de biologische melkveehouderij van witte klaver. Het kan ook anders, namelijk met rode klaverrassen in het mengsel die 5 jaar na inzaai nog productief zijn, zelfs onder een management van omweiden.

In principe zijn wij gewend aan rode klaverrassen die maar twee tot drie jaar mee gaan. Deze lage persistentie van de beschikbare rassen in Nederland gaat terug op de historie toen de veredeling van rode klaver vooral gericht was op een bijdrage in een akkerbouwrotatie. Rassen moesten daarvoor bij voorkeur  productief zijn in de eerste twee jaar; persistentie van deze productie was niet aan de orde. In Nederland zijn rode klaverrassen eigenlijk nooit getest voor een veehouderijomgeving waar een mengsel van rode klaver en gras eigenlijk minimaal vijf jaar mee zou moeten gaan. In Duitsland en Zwitserland wordt wél een onderscheid gemaakt in rassen voor een akkerbouwomgeving ( “Ackerklee” rassen) en voor een veehouderijomgeving (“Mattenklee” rassen).

Afgelopen jaren hebben sommige veehouders mogen ruiken aan het rode klaverras Astur die als “Mattenklee” zeer persistent is. Jammer genoeg is de zaaizaadvermeerdering van dit ras erg moeilijk waardoor weinig zaaizaad beschikbaar is. Om andere persistente rassen naar voren te krijgen is daarom begin september een rassenvergelijking van 8 rode klaverrassen ingezaaid. In de aangelegde rassenvergelijking worden 4 “Ackerklee” rassen en “Mattenklee” rassen gedurende 4 jaar (2012-2015) vergeleken. Naast persistentie wordt gekeken naar productie, stevigheid, verhouting van de stengel, en voederwaarde.

Het project wordt gefinancierd door het Productschap Zuivel en de Stuurgroep LIB Noord-Brabant en uitgevoerd door het Louis Bolk Instituut.

Contact informatie: Nick van Eekeren, Louis Bolk Instituut