De gegevens moeten nog verder uitgewerkt worden, maar een aantal zaken vallen nu al op. Zo is de uitval bij biologische legkippen verminderd van meer dan 10 procent in 2003 naar onder de 8 procent nu. Ook het verenkleed van de kippen is verbeterd. Werd in 2003 nog ernstige schade gerapporteerd in de helft van de koppels, nu wordt in tweederde van de koppels juist weinig of geen schade meer gezien. De redenen hiervoor zijn mogelijk dat de opfokomstandigheden verbeterd zijn en dat er nu andere rassen gebruikt worden. Overigens komt bij een deel van de opfokhennen nog steeds verenpikken voor, reden voor nieuw onderzoek naar verenpikken bij opfokhennen in 2009. Voor zover er gezondheidsproblemen zijn, noemen de pluimveehouders buikvliesontsteking (Coli), bloedluizen, infectieuze bronchitis (IB), bloedluizen, dooddrukkers, slijters, huidontstekingen en chronische darmontsteking. Opvallend zijn de borstbeenvervormingen die bij een groot aantal kippen voorkomen. Overigens komen deze ook voor bij kippen die in andere systemen gehouden worden.
Borstbeenvervormingen zijn algemeen een punt van aandacht in de niet-kooi systemen. Ze kunnen worden veroorzaakt doordat de kippen meer calcium nodig hebben dan ze via het voer opnemen, maar ook doordat ze ergens tegenaan vliegen, wanneer ze meer ruimte tot hun beschikking hebben.
Rantsoensamenstelling
Op alle bedrijven krijgen de kippen legmeel of legkorrels als basis. Tweederde van de koppels kippen kreeg daarnaast strooigraan. De hoeveelheid varieerde van 1 tot 35 gram per kip per dag. Op sommige bedrijven werd ruwvoer gevoerd in de vorm van grasproducten (gras, kuilgras en hooi) of luzerne. Ook werden (zelfgeteelde) mengsels van granen en peulvruchten gevoerd. De meest gebruikelijk toevoegingen aan voer en drinkwater waren vitamines en mineralen, gevolgd door kruiden (oregano en knoflook) en dierlijke producten (bloedmeel, vismeel, melkpoeder, weipoeder en verse wei).