Vragen van bezoekende consumenten waren voor een aantal veehouders aanleiding om het voortouw te nemen met een alternatief opfoksysteem. Groei en ontwikkeling van zoogkalveren, sociaal leergedrag en weerstandsopbouw tegen bedrijfsgebonden ziektekiemen gaven aanleiding om kalveren bij de koe een kans te geven. Verwacht werd dat gezoogde kalveren op termijn een beter aan het bedrijf aangepaste koe op zouden leveren.
Vanaf 2002 onderzoekt het Louis Bolk Instituut ‘kalveren bij de koe’. Het belang van geleidelijk spenen werd al snel duidelijk. Het pleegmoedersysteem werd populair en criteria voor het selecteren van pleegmoeders stonden centraal. Het bleek belangrijk dat een veehouder goed kan bepalen op welk moment er eventueel ingegrepen moet worden.
Uit onderzoek op drie praktijkbedrijven bleek dat kalveren die drie maanden bij de koe gezoogd hebben snel groeien. Het gewicht van gezoogde kalveren was op éénjarige leeftijd nog steeds significant hoger in vergelijking met niet-gezoogde kalveren. Tegen de tijd dat de dieren in productie kwamen, werd het lastiger om onderscheid aan te tonen. Melkproductie, celgetal en gezondheid vertoonden geen grote verschillen. Mede daarom is er voor veel biologische melkveehouders nog onvoldoende aanleiding om ‘kalveren bij de koe’ op te gaan fokken.
Melkveehouders kunnen worden overtuigd door een goed werkend en renderend systeem. Om het rendement van ‘kalveren bij de koe’ echt te kunnen beoordelen is meer tijd nodig. Behalve 3 maanden zogen, bepalen ook management, genetische aanleg en incidenten de prestatie van individuele dieren. Het volgen van de bedrijven in het project “weerstand van biologisch melkvee” biedt een goede kans om kalveren bij de koe op termijn te beoordelen. Deze opfokmethode kan immers een prima alternatief zijn, dat past bij het imago van biologische landbouw. ‘Kalveren bij de koe’ is nog lang niet uit de mode!
Klik hier voor het volledige Ekoland artikel ‘Kalveren bij de koe uit de mode?’