Probleemloze ‘landschapskoe’ voor low-inputbedrijf

Sector:
Zuivel-rundveevlees
5-3-2010

Er gaan steeds meer geluiden op dat we in Nederland moeten werken aan een ander type koe. Deze koe moet goed inzetbaar zijn op low-inputbedrijven: ze is zelfredzaam, benut ruwvoer efficiënt en is bij een groot aandeel ruwvoer in het rantsoen nog steeds productief, gezond en vruchtbaar. V-Focus besteedde aandacht aan deze zgn. ‘landschapskoe’.

Met de huidige melkprijs en de doorgaande schaalvergroting zien we dat zelfredzaamheid van koeien weer volop in de belangstelling staat. Een belangrijke vraag is ook welk type koe het beste past bij melkveehouderijen die vaak in een landschappelijk waardevolle omgeving staan en melk willen produceren van hoofdzakelijk gras. Het andere type koe dat hiervoor nodig is, is betiteld als ‘landschapskoe’.

LNV-praktijknetwerken
In vijf begin januari opgerichte LNV-praktijknetwerken geven veehouders zelf antwoord op vragen waar die koe aan moet voldoen, en wat ze moet kunnen. De netwerken steken ieder vanuit hun eigen optiek op de landschapskoe in. Twee netwerken vanuit een rasoptiek (MRI en Blaarkop), één netwerk vanuit diverse bedrijfssystemen en twee netwerken vanuit de biologische fokkerij (BIO-KI en Fundament-fokkerij). De overlappende vragen zijn ondergebracht in het gezamenlijke traject landschapskoe:

  • Welke eigenschappen moet deze koe bezitten?
  • Hoe moet een fokprogramma voor dit type koe worden opgezet?

Fokprogramma
Als de eisen voor de landschapskoe duidelijk zijn, moet men nadenken over een adequaat fokprogramma. Niet iedere veehouder of groep veehouders zal precies dezelfde landschapskoe willen. In het project wordt dan ook een tool ontwikkeld waarin veehouders zelf verschillende kenmerken kunnen wegen. De veehouder kan daarmee voor zijn eigen bedrijf en koeien zijn fokprogramma bijstellen. Bovendien worden omvang en structuur van verschillende vormen van fokprogramma’s met elkaar vergeleken.

Meer lezen? Klik dan hier voor het complete artikel in V-Focus!

Contact informatie: Yvette de Haas, Wageningen UR Livestock Research